Het belanghebbende-begrip: nadere invulling van het criterium 'gevolgen van enige betekenis'

Geplaatst: 12-09-2017

Bij uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ nader ingevuld. Dit criterium is van belang om te bepalen wie belanghebbende is bij een ruimtelijk besluit.
 
Het uitgangspunt
Het uitgangspunt is dat een belanghebbende rechtstreeks feitelijke gevolgen moet ondervinden van een activiteit die het besluit toestaat. Omdat niet alle feitelijke gevolgen evenveel invloed hebben, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:737) een correctie op dit uitgangspunt ontwikkeld. Dit corrigerend criterium houdt in dat sprake moet zijn van ‘gevolgen van enige betekenis’.

De uitspraak van 23 augustus 2017
In de praktijk rees vervolgens de vraag hoe dit nieuwe criterium ingevuld moet worden. Onlangs gaf de Afdeling een antwoord op deze vraag in de uitspraak van 23 augustus 2017.

Volgens de Afdeling kan van ‘gevolgen van enige betekenis’ niet worden gesproken wanneer de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn, dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Verschillende factoren zijn hierbij van belang: zicht op, afstand tot, planologische uitstraling en milieugevolgen (bijvoorbeeld geur, geluid, licht en emissie) van de activiteit die het besluit toestaat. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen een rol spelen.
 
In de onderhavige zaak ging het onder andere om mogelijke hinder vanwege de geur van een mestbassin. De Afdeling overwoog dat, hoewel de afstand van het mestbassin ongeveer 300 tot 600 meter van de woningen van appellanten lag, zij toch de geur van het mestbassin konden waarnemen. Er waren dus feitelijke milieugevolgen als gevolg van het besluit. Dit zijn ‘gevolgen van enige betekenis’. De geurhinder deed zich vooral voor als het mestbassin gevuld was en de wind in de richting van de desbetreffende woningen van appellanten stond. De geurhinder vond dus met enige regelmaat plaats (frequentie). Daarnaast werd de geur van de mest veelal als penetrant ervaren (aard en intensiteit). Gelet hierop was de Afdeling van mening dat in dit geval alle appellanten als belanghebbenden konden worden aangemerkt.

Vragen?
Mocht u naar aanleiding van bovenstaande vragen hebben, neem dan vrijblijvend contact met ons op. Dit kan per e-mail (romremie@remie.nl) of per telefoon (0413-241060). U kunt dan vragen naar mevrouw mr. Y.M.G.M. (Yvana) van Riet of mevrouw K.H. (Kristy) Hoevenaars. 

Terug naar overzicht